ECLI:NL:RVS:2017:996
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling kinderopvangtoeslag 2007 en vergoeding overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag over 2007 door de Belastingdienst/Toeslagen bevestigde. Appellante had met terugwerkende kracht per 1 januari 2007 kinderopvangtoeslag aangevraagd voor opvang van haar kinderen via een gastouderbureau, maar de Belastingdienst stelde het voorschot op nihil omdat de opvang vóór de ondertekening van de overeenkomst op 24 december 2007 niet via een geregistreerd gastouderbureau plaatsvond.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat appellante niet had aangetoond alle kosten te hebben voldaan. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de opvang bij haar thuis plaatsvond en dat het vereiste van een geregistreerd gastouderbureau niet gold, en dat zij wel degelijk alle kosten had gemaakt, inclusief extra eigen kosten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het wettelijke kader duidelijk vereist dat kinderopvangtoeslag alleen wordt toegekend indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt, ook bij opvang in de woning van de ouder. Omdat de overeenkomst pas op 24 december 2007 werd gesloten en de opvang daarvoor niet via een geregistreerd bureau plaatsvond, was er geen recht op toeslag over de periode daarvoor. Ook was er geen opvang en dus geen kosten in de laatste week van december 2007. Het beroep faalde.
Daarnaast stelde appellante dat de redelijke termijn was overschreden omdat de procedure ruim zes jaar duurde. De Raad oordeelde dat de overschrijding van ruim een jaar geheel aan de Belastingdienst toe te rekenen was en kende een vergoeding van € 2.000 toe voor immateriële schade. Tevens werden proceskosten van € 247,50 aan appellante toegekend. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Belastingdienst wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.