ECLI:NL:RVS:2018:1199
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over nihilstelling kinderopvangtoeslag 2014 en 2015
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de definitieve vaststelling en stopzetting van kinderopvangtoeslag over de jaren 2014, 2015 en 2016. De Belastingdienst stelde de toeslag voor 2014 en 2015 op nihil vanwege onvoldoende bewijs van betaling van de kosten.
De rechtbank vernietigde de bezwaarsbesluiten wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen voor 2014 en 2015 in stand omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij alle kosten had voldaan. In hoger beroep werd overeenstemming bereikt over 2014, waardoor alleen 2015 resteerde.
Appellante voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en dat het terugvorderen van de toeslag buitenproportioneel was, mede vanwege een betalingsregeling en het ontbreken van een wettelijke uitsluitingsgrond. De Afdeling oordeelde dat appellante geen volledige betaling kon aantonen, het verschil geen afrondingsverschil was, en dat geen aanleiding bestond voor een uitzondering op de wettelijke vereisten.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.