ECLI:NL:RVS:2018:1258
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering openbaarmaking advies landsadvocaat en beleidsopvattingen op grond van de Wob
In deze zaak verzocht appellante de minister van Financiën om openbaarmaking van documenten over het Artikel 2-Fonds, inclusief het advies van de landsadvocaat. De minister wees dit verzoek deels af op grond van artikel 11 van Pro de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), omdat het advies en bepaalde passages persoonlijke beleidsopvattingen bevatten die bestemd zijn voor intern beraad.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het bezwaarbesluit van de minister, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bij hoger beroep de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen. De Afdeling oordeelde dat het advies van de landsadvocaat inderdaad intern beraad betreft en dat het karakter van intern beraad niet vervalt door het gebruik van het advies als autoriteitsargument in het parlementaire debat.
Daarnaast concludeerde de Afdeling dat de minister terecht geen gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid om persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. Verder werd het verzoek van de vereniging VBV om als partij aan het geding deel te nemen afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks belang. Ook werden de overige betogen van appellante, waaronder over de toepassing van de Eurowob, artikel 68 van Pro de Grondwet en artikel 10 EVRM Pro, verworpen. Het hoger beroep is daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot openbaarmaking van het advies van de landsadvocaat en bepaalde passages wordt bevestigd.