ECLI:NL:RVS:2018:1439
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht opgelegde boete arbeidsvergunning Kroatische werknemers
De zaak betreft een boetebesluit van 23 maart 2016 waarbij aan appellant een boete van €472.000 werd opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. De rechtbank Rotterdam matigde de boete tot €354.000, maar verklaarde het beroep gegrond. Zowel appellant als de minister gingen in hoger beroep.
De kern van het geschil is of de dienstverrichting door [bedrijf C] aan [bedrijf B] bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, waarvoor een tewerkstellingsvergunning vereist is. Appellant stelde dat sprake was van een concrete opdracht voor uitvoering van werkzaamheden en niet van terbeschikkingstelling. De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingen onder leiding en toezicht van appellant en [bedrijf B] stonden, wat op terbeschikkingstelling wijst.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog uitgebreid de criteria uit het Europese arrest Vicoplus en Martin Meat, waarbij het Hof van Justitie het begrip terbeschikkingstelling nader heeft uitgewerkt. Uit de feiten blijkt dat er twijfel bestaat of de verplaatsing van de werknemers het doel op zich was van de dienstverrichting. De staatssecretaris heeft niet voldoende bewijs geleverd dat aan de criteria voor terbeschikkingstelling werd voldaan.
Daarom vernietigt de Afdeling het boetebesluit en verklaart het hoger beroep van appellant gegrond en dat van de staatssecretaris ongegrond. Tevens wordt appellant in de proceskosten tegemoetgekomen.
Uitkomst: Het boetebesluit van 23 maart 2016 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.