ECLI:NL:RVS:2018:1481
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende woonduur en alternatieve woonmogelijkheden
Appellant, een 43-jarige dakloze man met medische klachten, vroeg een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant minder dan twee jaar onafgebroken in Amsterdam woonde en er meerdere weigeringsgronden van toepassing waren. Het college zag geen reden om de hardheidsclausule toe te passen, mede omdat er diverse opvangmogelijkheden en alternatieve woonvormen voor alleenstaanden beschikbaar zijn.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant onvoldoende had onderbouwd waarom hij geen gebruik kon maken van opvangorganisaties of andere woonvormen zoals kamerhuur of wonen buiten Amsterdam. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn medische situatie en dakloosheid een schrijnende situatie vormden, maar kon niet aantonen dat de alternatieven ontoereikend waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college in redelijkheid de aanvraag mocht afwijzen. De toepassing van de hardheidsclausule is beperkt tot zeer schrijnende situaties en alleenstaanden zonder kinderen worden geacht gebruik te maken van de kamermarkt of andere woonvormen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.