ECLI:NL:RVS:2018:1661
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs mensenhandel
De vreemdeling had een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, maar deze werd op 19 januari 2017 afgewezen en er werd een inreisverbod opgelegd. De staatssecretaris baseerde de afwijzing op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat de vreemdeling zich volgens hem schuldig had gemaakt aan mensenhandel door het exploiteren van een prostitutie-inrichting in Irak.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende specifiek bewijs had geleverd dat de vreemdeling zich daadwerkelijk schuldig had gemaakt aan mensenhandel. De algemene situatie van prostituees in Irak was onvoldoende om dit aan te tonen.
De Afdeling stelde dat de motivering van de staatssecretaris niet inzichtelijk en controleerbaar was en dat de verklaringen van de vreemdeling over de vrijwilligheid van de vrouwen onvoldoende waren weerlegd. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod is vernietigd wegens onvoldoende bewijs van mensenhandel.