ECLI:NL:RVS:2018:1888
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kindgebonden budget wegens beëindiging kinderbijslag en verblijfsrecht
Appellante, met de Spaanse nationaliteit en een minderjarig kind met Nederlandse nationaliteit, vroeg kindgebonden budget aan voor 2015. De Belastingdienst/Toeslagen stelde het voorschot op nihil vanwege de beëindiging van haar recht op kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) per 2 december 2014. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellante voerde aan dat de weigering in strijd was met het EU-verblijfsrecht (artikelen 20 en 21 VWEU) en diverse mensenrechtenverdragen, waaronder het EVRM, IVBPR en IVRK. Zij stelde dat haar dochter gedwongen zou worden Nederland te verlaten en dat het kindgebonden budget een bestaansminimum waarborgde. De Afdeling oordeelde dat appellante geen rechtstreeks verblijfsrecht uit artikel 20 VWEU Pro kon ontlenen, omdat zij zelf de Spaanse nationaliteit bezit en haar situatie niet vergelijkbaar is met de arresten Ruiz Zambrano en Chavez-Vilchez.
Verder werd geoordeeld dat het koppelingsbeginsel, dat kinderbijslag koppelt aan rechtmatig verblijf, een redelijke rechtvaardiging vormt voor de weigering. De Afdeling stelde dat het kindgebonden budget niet het bestaansminimum waarborgt, maar een aanvullende financiële ondersteuning is. Ook werd overwogen dat het besluit niet jegens het kind zelf is genomen en dat het discriminatieverbod niet is geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het kindgebonden budget bevestigd.