ECLI:NL:RVS:2018:1901
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing asielverzoeken vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 17 november 2017 de asielaanvragen van de vreemdelingen niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag vernietigde deze besluiten en bepaalde dat nieuwe besluiten moesten worden genomen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdelingen incidenteel hoger beroep instelden.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdelingen concrete nieuwe feiten en omstandigheden hadden aangevoerd die relevant zijn voor hun asielaanvragen. De psychische problemen van de vreemdelingen en de situatie in Afghanistan, waaronder de risico’s voor meisjes, zijn onvoldoende concreet om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de vreemdelingen geen sociaal netwerk hebben bij terugkeer.
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard. Ook vernietigt de Raad van State de besluiten van 24 april 2018 waarin de verblijfsvergunningen werden toegekend, omdat deze besluiten hun grondslag hebben verloren.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 6 juni 2018.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring en latere vergunningverlening worden vernietigd.