ECLI:NL:RVS:2018:1943
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- B.P. Vermeulen
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitsluiting toeslagen bij niet-rechtmatig verblijf partner met toepassing koppelingsbeginsel
Appellant, afkomstig uit Afghanistan en wonend in Nederland, vordert in hoger beroep de toekenning van toeslagen over december 2014 en 2015. Haar partner, die als toeslagpartner is aangemerkt, had in die periode geen rechtmatig verblijf in Nederland, waardoor de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagen heeft geweigerd.
De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden van appellant, waaronder het ontvangen van een uitkering als alleenstaande ouder en gezondheidsproblemen binnen het gezin, niet zodanig bijzonder zijn dat de uitsluiting strijdig is met het EVRM. Dit oordeel wordt in hoger beroep bevestigd.
Het koppelingsbeginsel, dat het recht op toeslagen koppelt aan het rechtmatig verblijf van de partner, dient een legitiem doel: het voorkomen van voortzetting van wederrechtelijk verblijf en misbruik van voorzieningen. De Afdeling acht de toepassing van dit beginsel proportioneel en niet discriminerend, ook niet jegens de kinderen.
Beroepen op internationale verdragen, waaronder het EVRM, IVRK en uitspraken van het UNHRC, leiden niet tot een ander oordeel. Nieuwe argumenten over afgeleid verblijfsrecht van kinderen worden buiten beschouwing gelaten wegens procesorde. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen aanspraak heeft op toeslagen vanwege het niet-rechtmatig verblijf van haar partner.