ECLI:NL:RVS:2019:526
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening voorschotten toeslagen wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De Belastingdienst/Toeslagen had de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van appellant voor 2015 en 2016 herzien en op nihil of lagere bedragen vastgesteld omdat zijn echtgenote niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant voerde aan dat dit onderscheid discriminerend is en niet proportioneel, mede gelet op zijn ernstige psychische problemen en het belang van hun kind om in aanwezigheid van beide ouders op te groeien.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de Belastingdienst onvoldoende had gemotiveerd waarom de bijzondere omstandigheden van appellant niet tot een uitzondering leidden en gaf de dienst gelegenheid het besluit te herstellen. Na aanvullende motivering bleef de rechtbank het besluit onrechtmatig achten vanwege onvoldoende weging van de psychische situatie van appellant en het belang van het kind.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank bij haar oordeel het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door de Belastingdienst niet de mogelijkheid te geven te reageren op nieuwe stukken. Inhoudelijk bevestigt de Afdeling het koppelingsbeginsel dat het recht op toeslagen koppelt aan het rechtmatig verblijf van de partner. Hoewel de omstandigheden ernstig zijn, acht de Afdeling deze niet zodanig bijzonder dat het onderscheid onrechtmatig is. Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit van de Belastingdienst in stand blijven.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op toeslagen in de perioden waarin zijn partner niet rechtmatig verbleef; het besluit van de Belastingdienst blijft in stand.