ECLI:NL:RVS:2018:1957
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderopvangtoeslag 2012 en 2013 en recht op terugvordering
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen over de definitieve berekening en terugvordering van kinderopvangtoeslag voor de jaren 2012 en 2013. De Belastingdienst stelde dat appellant geen recht had op toeslag omdat de opvang niet op basis van geldige overeenkomsten zou hebben plaatsgevonden en de kosten niet waren aangetoond als betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 22 februari 2016 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 27 juli 2016 ongegrond. In hoger beroep betoogt appellant dat hij voor 2013 wel een geldige overeenkomst heeft overgelegd en dat hij de kosten voor kinderopvang van zijn kind volledig heeft betaald. Voor 2012 heeft appellant niet tijdig aangetoond de kosten te hebben voldaan.
De Raad van State oordeelt dat appellant voor 2013 met een ondertekende overeenkomst en betalingsbewijs heeft aangetoond dat de opvang heeft plaatsgevonden en de kosten zijn betaald. Ook is voldoende aangetoond hoeveel uren arbeid hij en zijn partner hebben verricht. Voor 2012 is het recht op toeslag terecht nihil vastgesteld omdat de kosten niet tijdig zijn voldaan.
Het hoger beroep is gegrond voor 2013 en het besluit van 27 juli 2016 wordt vernietigd. De Belastingdienst wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de toeslag voor 2013. Voor 2012 blijft de nihil vaststelling in stand. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor 2013 en de Belastingdienst dient een nieuw besluit te nemen over de kinderopvangtoeslag voor dat jaar.