ECLI:NL:RVS:2018:2057
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit CBR rijgeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg die zijn verzoek om schadevergoeding wegens het besluit van het CBR van 10 september 2013 afwees.
Het CBR had aan appellant een onderzoek naar rijgeschiktheid opgelegd en zijn rijbewijs geschorst. Later werd het bezwaar gegrond verklaard en werd een verklaring van geschiktheid zonder beperkingen verstrekt. Appellant vorderde vergoeding van materiële en immateriële schade wegens het onrechtmatige besluit en de vertraging bij registratie van de verklaring.
De rechtbank oordeelde dat het causaal verband tussen de schade en het besluit ontbrak, dat appellant onvoldoende bewijs leverde van gederfde inkomsten en dat immateriële schade niet aannemelijk was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze overwegingen en wijst het hoger beroep af.
De Afdeling stelt vast dat het besluit onrechtmatig was en aan het CBR kan worden toegerekend, maar dat appellant onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd van de omvang van de schade, noch aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een aantasting van zijn eer, goede naam of persoon die immateriële schade rechtvaardigt.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.