ECLI:NL:RVS:2018:2076
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De vreemdeling en haar minderjarige kinderen vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris bij besluit van 24 augustus 2016 werd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 19 mei 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing bij uitspraak van 26 oktober 2017. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de identiteit en familierelatie van de vreemdeling niet de nieuwe vaste gedragslijn volgde zoals neergelegd in eerdere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1509). De staatssecretaris had geen onofficiële documenten betrokken bij zijn beoordeling, wat leidt tot een ondeugdelijke motivering van het besluit.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 19 mei 2017, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep van de vreemdeling werd alsnog gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.