ECLI:NL:RVS:2018:2100
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding Waterwet bij bronbemaling
Het college heeft [appellante] een last onder dwangsom opgelegd omdat zij zonder vergunning ijzerhoudend water heeft geloosd in een oppervlaktewaterlichaam, in strijd met artikelen 6.2, eerste lid, 6.8 en 6.9, eerste lid, van de Waterwet. Deze overtreding vond plaats tijdens werkzaamheden aan een bronbemaling in een watergang ten behoeve van de verbouw van de Rijnhal te Arnhem.
Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank het besluit van het college bevestigd. [appellante] stelde in hoger beroep dat het college het handhavingsbeleid onjuist had toegepast, met name dat de categorisering van de overtreding en de motivering daarvan niet correct waren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat het college de overtreding terecht heeft ingedeeld in categorie 3B van de interventiematrix, waarbij het gedrag van de overtreder als onverschillig wordt beschouwd, en dat de milieugevolgen van de verontreiniging voldoende ernstig zijn.
De Afdeling wijst erop dat het college de stappen en motivering schriftelijk heeft vastgelegd, en dat de visuele verontreiniging van de watergang negatieve effecten heeft op de waterplanten en vissoorten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.