ECLI:NL:RVS:2018:2254
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 13 september 2016 werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 1 juni 2017 ongegrond verklaard, waarna de vreemdeling beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep op 5 december 2017 ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag niet de nieuwe vaste gedragslijn had gevolgd zoals uiteengezet in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:1508). Deze gedragslijn houdt onder meer in dat onofficiële documenten betrokken kunnen worden bij de beoordeling van identiteit en familierelaties. De staatssecretaris had dit niet gedaan en had de afwijzing onvoldoende gemotiveerd.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De zaak werd daarmee zelf afgedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en de vreemdeling krijgt vergoeding van proceskosten.