ECLI:NL:RVS:2018:2256
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris wees een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af, omdat de referent niet aannemelijk had gemaakt dat hij hun pleegouder was. De staatssecretaris baseerde dit onder meer op het ontbreken van een voogdijverklaring en het feit dat de grootmoeder waarschijnlijk de voogdij had gekregen volgens het Eritrese Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd. De staatssecretaris ging in hoger beroep, stellende dat hij het besluit niet alleen op het ontbreken van een voogdijverklaring had gebaseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de klacht terecht was, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidde omdat de rechtbank ook andere motieven had genoemd.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard. Hiermee blijft de vernietiging van het besluit van de staatssecretaris in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de vernietiging van het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt bevestigd.