ECLI:NL:RVS:2018:2317
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling planschadevergoeding na bouw appartementencomplex te Eindhoven
Appellant is eigenaar van meerdere panden te Eindhoven en vordert een vergoeding van planschade door de bouw van een appartementencomplex tegenover zijn panden. Hij stelt dat het nieuwe complex leidt tot verlies van uitzicht, verminderde privacy, minder lichtinval en slechtere bereikbaarheid door het verdwijnen van parkeerplaatsen.
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven verleende een vrijstelling voor het appartementencomplex en wees het verzoek om planschadevergoeding af, gebaseerd op een advies van de SAOZ. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak en het besluit van het college, en gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen met een nieuw advies.
Bij het nieuwe besluit handhaafde het college het eerdere standpunt, opnieuw gesteund door een SAOZ-advies, waarin een lichte planologische verslechtering werd vastgesteld, maar zonder dat dit tot vermogensschade leidde. Appellant voerde onder meer aan dat de SAOZ niet onafhankelijk was en dat de waardering van het nadeel onjuist was. De Afdeling oordeelde dat het college terecht op het SAOZ-advies mocht vertrouwen en dat de waardering niet onbegrijpelijk was.
Verder stelde appellant dat de redelijke termijn was overschreden. De Afdeling stelde vast dat de procedure ruim zes jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt, en kende daarom een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond, wees de vergoeding toe wegens termijnoverschrijding en veroordeelde het college tot proceskostenbetaling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot een vergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot proceskostenbetaling.