ECLI:NL:RVS:2018:2376
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring wegens discrepantie ondertekening en uitreiking
Op 24 juli 2017 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft ingegaan op het betoog van de vreemdeling over de discrepantie tussen het tijdstip van inbewaringstelling (20:11 uur) en het tijdstip van digitale ondertekening van de maatregel (22:59 uur). Volgens artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is een maatregel pas rechtsgeldig als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed, en treedt deze pas in werking bij uitreiking.
In deze zaak werd de maatregel omstreeks 20:11 uur uitgereikt zonder ondertekening, waardoor er op dat moment geen rechtsgeldige maatregel was. De digitale ondertekening volgde pas later, maar deze maatregel is niet aan de vreemdeling uitgereikt en is dus niet in werking getreden. Dit gebrek maakt de maatregel onrechtmatig, temeer daar de belangen van de staatssecretaris niet zwaarder wegen dan het gebrek en de geschonden belangen van de vreemdeling.
De Afdeling verklaart het beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, en kent de vreemdeling een vergoeding toe over de periode van 24 juli tot 8 augustus 2017, de dag waarop de bewaring werd opgeheven. Tevens worden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.