ECLI:NL:RVS:2018:2472
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering openbare orde bedreiging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 9 december 2016 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 14 juni 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de openbare orde niet in het geding was, terwijl hij was veroordeeld voor een strafbaar feit. De Afdeling overwoog dat het uitvaardigen van een inreisverbod onder artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 altijd verband houdt met de openbare orde en dat de staatssecretaris een motivering moet geven waarom het gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris deze beoordeling niet had verricht en dat de rechtbank dit ook niet had onderkend. Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het inreisverbod van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de bedreiging voor de openbare orde.