ECLI:NL:RBDHA:2021:7182
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod bij langdurig verblijf en crimineel verleden
Eiser, met Marokkaanse nationaliteit, verblijft sinds 1980 rechtmatig in Nederland en had een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning in per 21 maart 2013 wegens ernstige strafbare feiten gepleegd door eiser, ondanks diens beperkte gezichtsvermogen. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser voerde aan dat het Unierechtelijke openbare orde criterium van toepassing is en dat de intrekking in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, mede gezien zijn langdurige verblijf en fysieke beperking.
De rechtbank oordeelt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op de intrekking van de zelfstandige verblijfsvergunning van eiser en dat de nationale regelgeving en jurisprudentie adequaat zijn toegepast. Verweerder heeft een individuele belangenafweging gemaakt waarbij de ernst en frequentie van de misdrijven, de duur van het verblijf en de sociale banden zijn meegewogen. De rechtbank acht de belangenafweging proportioneel en rechtvaardigt de intrekking en het inreisverbod.
Daarnaast is vastgesteld dat de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, mede door het afwachten van prejudiciële uitspraken. De rechtbank kent eiser een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe en proceskosten van €374. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot deze vergoedingen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.