ECLI:NL:RVS:2018:2561
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad Europcar wegens vermeende overtreding niet gerechtvaardigd
Europcar Autoverhuur B.V. had een erkenning bedrijfsvoorraad op grond van artikel 62 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waardoor zij voertuigen in haar bedrijfsvoorraad mag opnemen zonder dat deze kentekenplichtig zijn. De RDW trok deze erkenning op 9 februari 2016 voor zes weken in vanwege een vermeende overtreding: een voertuig van Europcar zou op 28 april 2015 zonder handelaarskenteken op de openbare weg zijn gereden.
De rechtbank verklaarde het beroep van Europcar tegen deze intrekking ongegrond, waarbij werd aangenomen dat de gegevens van de Belastingdienst toereikend bewijs vormden. Europcar stelde echter in hoger beroep dat de authenticiteit en herkomst van deze gegevens niet vaststond en dat de RDW onvoldoende dragend bewijs had geleverd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de RDW niet had aangetoond dat de gegevens daadwerkelijk van de Belastingdienst afkomstig waren, noch dat de gegevens volledig en betrouwbaar waren. Er ontbraken essentiële gegevens zoals datum, tijdstip en locatie op de foto's en een begeleidend schrijven van de Belastingdienst. Hierdoor was het bewijs onvoldoende om de intrekking te rechtvaardigen.
De Raad van State vernietigde daarom het besluit van de RDW en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van Europcar gegrond en bepaalde dat het vernietigde besluit werd herroepen. Tevens werd de RDW veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het besluit tot intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad van Europcar wegens onvoldoende bewijs en herroept het besluit.