ECLI:NL:RVS:2018:2850
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- J.J. van Eck
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad door RDW wegens overtredingen en beoordeling evenredigheid sanctie
De RDW trok op 6 januari 2016 de erkenning bedrijfsvoorraad van appellant in vanwege drie overtredingen: het aanmelden van een voertuig dat niet bestemd was voor verkoop, het invoeren van een onjuiste tellerstand en het ontbreken van het overschrijvingsbewijs bij aanmelding van een voertuig. De rechtbank verklaarde deze intrekking aanvankelijk terecht, maar oordeelde later dat de sanctie vanaf 22 maart 2016 niet langer evenredig was vanwege een beleidswijziging die een lichtere sanctie voorschreef.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dat de RDW terecht drie overtredingen heeft vastgesteld en dat de intrekking onder het toen geldende beleid proportioneel was. Echter, de Afdeling oordeelt dat de RDW bij het besluit van 31 maart 2016 had moeten afwijken van het oude beleid en de nieuwe Toezichtbeleidsbrief 2016 had moeten toepassen, die een waarschuwing met verscherpt toezicht voorschrijft.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 1 juni 2016 vernietigt en het verzoek om schadevergoeding afwijst. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €2.064,58 plus wettelijke rente. Tevens wordt de RDW veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek om schadevergoeding voor verzekeringskosten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
De Afdeling oordeelt ook dat appellant niet verplicht was om een voorlopige voorziening te vragen, omdat het op de RDW lag om het besluit te herstellen. De intrekking van de erkenning was vanaf 1 april 2016 onevenredig en onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.
Uitkomst: De intrekking erkenning bedrijfsvoorraad wordt omgezet in een waarschuwing met verscherpt toezicht vanaf 1 april 2016 en RDW moet schadevergoeding en proceskosten betalen.