ECLI:NL:RVS:2018:2968
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor verhuren zonder huisvestingsvergunning ondanks discriminatie- en gelijkheidsbetoog
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde appellante een bestuurlijke boete op van €18.500 wegens het verhuren van een woning aan een huishouden zonder huisvestingsvergunning, in strijd met de Huisvestingswet 2014 en de gemeentelijke Verordening. Na bezwaar werd de boete verlaagd naar €4.000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellante stelde dat het inkomenscriterium voor huisvestingsvergunningen discriminerend is en dat het opleggen van boetes niet gelijk wordt toegepast, met name in vergelijking met woningcorporaties en een andere verhuurder. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het inkomenscriterium een legitiem en proportioneel doel dient, zoals bevestigd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Garib. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat het college aannemelijk maakte dat het beleid consistent wordt toegepast en dat de situaties van andere verhuurders niet vergelijkbaar zijn.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens verhuren zonder huisvestingsvergunning en wijst het hoger beroep af.