ECLI:NL:RVS:2018:2990
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling werd op 15 mei 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld op basis van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling hield de behandeling aan in afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie, waarna het hoger beroep werd voortgezet. Uit eerdere jurisprudentie van de Afdeling bleek dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de bewaring op een juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De bewaring was daarmee vanaf het begin onrechtmatig.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Wel werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €3.600 toegekend voor de periode van 15 mei tot 29 juni 2018. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.503, geheel toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: De vreemdeling krijgt gelijk, de bewaring wordt onrechtmatig verklaard en er wordt een schadevergoeding toegekend.