ECLI:NL:RVS:2018:1307
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht en bewaring van asielzoekers bij afwijzing zonder automatische schorsende werking
In drie zaken zijn verzoekers, onderdanen van derde landen, in bewaring gesteld nadat hun verzoeken om internationale bescherming als kennelijk ongegrond waren afgewezen en hun beroepsprocedures geen automatische schorsende werking hadden. De verzoekers hadden wel verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend om uitzetting te voorkomen en betoogden dat zij daardoor rechtmatig verblijf hadden en dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd.
De rechtbanken oordeelden dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet leidt tot rechtmatig verblijf, waardoor de staatssecretaris de verzoekers terecht in bewaring had gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omzetting van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De verzoekers stelden dat op hen de Opvangrichtlijn van toepassing was, omdat zij de behandeling van hun verzoek om voorlopige voorziening mochten afwachten in Nederland.
De Raad van State stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, met name of het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening betekent dat een verzoeker niet langer illegaal verblijft en dus onder de Opvangrichtlijn valt. De Afdeling wijst op het belang van het beginsel van non-refoulement en de noodzaak van een eenduidige uitleg van de relevante EU-richtlijnen. De behandeling van het hoger beroep is geschorst in afwachting van het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de uitleg van het verblijfsrecht van verzoekers die een voorlopige voorziening hebben ingediend.