ECLI:NL:RVS:2018:3143
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen asiel wegens onjuiste identiteit en geen ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM
De staatssecretaris heeft bij besluiten van 10 en 11 augustus 2016 de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde en bepaalde tijd van twee vreemdelingen ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste persoonsgegevens bij hun asielaanvragen. De vreemdelingen hadden bij hun aanvraag een valse identiteit opgegeven, waardoor onderzoek naar hun eerdere verblijf in Duitsland en de daar gevoerde asielprocedure werd belemmerd. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat het verstrekken van onjuiste identiteit een contra-indicatie vormt voor het verlenen van een verblijfsvergunning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat indien de staatssecretaris op de hoogte was geweest van de ware identiteit, hij de vergunningen niet zou hebben verleend. De vreemdelingen konden niet ontkomen aan deze conclusie door te stellen dat de gebeurtenissen die tot hun asielaanvragen leidden niet anders waren.
Voorts oordeelt de Raad dat bij intrekking van verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd geen ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro plaatsvindt en dat dit ook geldt voor de vergunningen voor bepaalde tijd, omdat deze vergunningen per 1 april 2001 zijn omgezet in vergunningen voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de oorspronkelijke aanvraagdatum. De vreemdelingen kunnen een reguliere aanvraag indienen indien zij een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 8 EVRM Pro.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel wordt bevestigd.