ECLI:NL:RVS:2018:3311
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 september 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 13 april 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing bij uitspraak van 23 oktober 2017. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris niet had voldaan aan zijn nieuwe vaste gedragslijn bij de beoordeling van de identiteit en de familierelatie van de vreemdeling met de referent. Het besluit ontbeerde een deugdelijke motivering omtrent het betrekken van onofficiële documenten. Hierdoor was het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden vonnis en het besluit van 13 april 2017, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De zaak werd terugverwezen voor herbeoordeling conform de nieuwe vaste gedragslijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.