ECLI:NL:RVS:2018:337
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderzoek naar rijgeschiktheid na melding over gevaarlijk rijgedrag en psychische toestand
Het CBR legde op 28 juni 2016 aan appellante een onderzoek naar haar rijgeschiktheid op naar aanleiding van een melding van de politie over gevaarlijk rijgedrag en een verwarde psychische toestand. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond en bevestigde het opleggen van het onderzoek.
Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit feitelijke grondslag mist en dat het vermoeden uitsluitend gebaseerd is op de verklaring van een willekeurige derde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vermoeden niet alleen steunt op de melding van een getuige, maar ook op eigen waarnemingen van politieagenten en het opmaken van een '130' rapport. Het ontbreken van contact met het crisisteam in het mutatierapport zoals door appellante aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van het rapport.
De Afdeling bevestigt dat het CBR op grond van artikel 131 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 verplicht was het onderzoek op te leggen. De stellingen van appellante over haar medicijngebruik en rijgedrag zijn onvoldoende om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot onderzoek naar rijgeschiktheid bevestigd.