ECLI:NL:RVS:2018:3538
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing toeslagen wegens niet-rechtmatig verblijf in 2013
De zaak betreft het beroep van [appellante] tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 19 juni 2017, waarin haar aanspraak op zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2013 definitief is vastgesteld. De kern van het geschil is of [appellante] gedurende de periode 1 oktober tot en met 31 december 2013 rechtmatig verblijf had in Nederland, zoals vereist voor het verkrijgen van deze toeslagen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Vreemdelingenwet 2000.
Eerder heeft de Afdeling bij uitspraak van 29 maart 2017 geoordeeld dat [appellante] tot 1 oktober 2013 rechtmatig verblijf had en dus aanspraak kon maken op toeslagen, maar dat dit vanaf 1 oktober 2013 niet het geval was. Dit oordeel is in rechte vast komen te staan. [Appellante] voerde aan dat het instellen van hoger beroep tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning automatisch schorsende werking zou moeten hebben, waardoor zij rechtmatig verblijf zou hebben en aanspraak op toeslagen.
De Afdeling overweegt dat dit betoog faalt omdat het eerdere oordeel onherroepelijk is en het genoemde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet ziet op procedures over regulier verblijfsrecht. Het beroep richt zich bovendien alleen op de periode na 1 oktober 2013, waarover reeds is geoordeeld dat geen rechtmatig verblijf bestond. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt dat het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen juist is vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep van [appellante] tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken rechtmatig verblijf na 1 oktober 2013.