ECLI:NL:RVS:2023:2676
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vaststelling ingangsdatum tegemoetkoming kinderopvang en toekenning schadevergoeding redelijke termijn
De zaak betreft een beroep van een inwoner van Groningen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen over de ingangsdatum en omvang van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang voor het jaar 2015. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een eerdere uitspraak van 19 februari 2020 het besluit van 17 oktober 2017 vernietigd voor zover het de ingangsdatum betrof en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het college heeft op 13 maart 2020 een nieuw besluit genomen waarin de ingangsdatum van de tegemoetkoming werd vastgesteld op 1 januari 2015 met een maandbedrag van € 1.419,97. De appellant betoogde dat het college ten onrechte uitging van een urenomvang van 40 uur per week, terwijl in 2014 een hogere urenomvang werd gehanteerd. De Afdeling oordeelde dat het college mocht uitgaan van een medisch advies van 2016 en dat het beroep ongegrond is.
Daarnaast heeft appellant een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelde vast dat de totale procedure zeven jaar en zes maanden duurde, wat een overschrijding van drie jaar en zes maanden betekent. De overschrijding wordt deels toegerekend aan het college en deels aan de Afdeling. De schadevergoeding wordt vastgesteld op € 3.500,00, waarvan het college € 1.916,67 en de Staat € 1.583,33 moet betalen.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt het college en de Staat tot betaling van de respectievelijke bedragen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de ingangsdatum en omvang van de tegemoetkoming kinderopvang wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding van € 3.500 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.