ECLI:NL:RVS:2018:3641
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 november 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarden zowel de staatssecretaris als de rechtbank het bezwaar en beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris niet had gemotiveerd dat hij bij de beoordeling van de identiteit en familierelatie van de vreemdeling onofficiële documenten had betrokken conform de nieuwe vaste gedragslijn die sinds 23 november 2017 geldt. Hierdoor was het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 juni 2017, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De zaak werd terugverwezen met het oordeel dat de vreemdeling recht heeft op een nieuwe beoordeling conform de juiste gedragslijn.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is vernietigd.