Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2018:3736

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2018
Publicatiedatum
15 november 2018
Zaaknummer
201704575/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • B.P. Vermeulen
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbVluchtelingenverdragKwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod wegens onvoldoende onderzoek vervolgingsrisico

De vreemdeling uit Herat, Afghanistan, vroeg om een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris op 10 oktober 2016 werd afgewezen, met een inreisverbod tot gevolg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht oordeelde dat de westerse levensstijl van de vreemdeling geen vluchtelingenstatus oplevert, tenzij deze gedragingen een uiting zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. De vreemdeling slaagde er niet in haar afvalligheid of politieke overtuiging aannemelijk te maken. Wel stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar het risico op vervolging of onmenselijke behandeling vanwege haar afwijkende gedrag bij terugkeer.

Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris vernietigd. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van de overwegingen omtrent het vervolgingsrisico. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €4.008,00.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod is vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met een zorgvuldig onderzoek naar het vervolgingsrisico.

Uitspraak

201704575/1/V2.
Datum uitspraak: 21 november 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2017 in zaak nr. 16/23224 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
De UNHCR heeft stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met twee vergelijkbare zaken, ECLI:NL:RVS:2018:3735 en ECLI:NL:RVS:2018:3737, ter zitting behandeld op 8 maart 2018. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat te Den Haag, de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de UNHCR, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling komt uit de stad Herat, Afghanistan. Zij is op 29 december 2010 Nederland ingereisd en was toen 14 jaar oud.
1.1.    Gelet op de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:3735, klaagt de vreemdeling tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat vrouwen die naar Nederland zijn gekomen en een westerse levensstijl hebben aangenomen, om die enkele reden niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn. Zoals in de uitspraak van vandaag is overwogen, is een westerse levensstijl geen godsdienstige of politieke overtuiging. Evenmin vormen vrouwen met een westerse levensstijl een specifieke sociale groep. Een westerse levensstijl kan op zichzelf dus niet tot vluchtelingschap leiden. Uitzondering hierop is de situatie waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging.
1.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de staatssecretaris de gestelde afvalligheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hij heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de verklaringen dat zij zich geen moslim meer voelt sinds zij in Nederland is, dat zij afstand heeft gedaan van de islam, omdat zij daarin geen interesse meer had en zich altijd buitengesloten voelde en dat moslims haat zaaien, haar afvalligheid niet inzichtelijk heeft gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911, onder 6-6.3). Hoewel zij reeds op veertienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen, heeft de staatssecretaris daarover minder summiere en minder algemene verklaringen van haar mogen verwachten. Aan de verklaring van de vreemdeling dat zij nooit bewust en overtuigd moslim was heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen waarde gehecht, mede gelet op de verklaring van de vreemdeling tijdens haar vorige asielprocedure dat zij praktiserend moslim is. Omdat de staatssecretaris de gestelde afvalligheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gedacht, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van die afvalligheid.
1.3.    Daarnaast heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van haar politieke overtuiging. De vreemdeling heeft wel aangevoerd dat zij actief lid is van de jongerenraad van het AZC Leersum, waaruit volgens haar blijkt dat zij voorstander is van democratie en inspraak. Die enkele verklaring is echter onvoldoende om aan te nemen dat zij een innerlijke politieke overtuiging heeft ontwikkeld, waaraan zij in Nederland uiting geeft en bij terugkeer naar haar land van herkomst zal willen geven.
1.4.    Omdat geen van de vervolgingsgronden zich voordoet, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen om vervolging en een onmenselijke behandeling te voorkomen.
1.5.    De vreemdeling heeft echter ook aangevoerd dat zelfs als zij zich inspant om zich aan te passen aan de in Afghanistan geldende normen, zij zal opvallen bijvoorbeeld door haar manier van spreken. De staatssecretaris heeft ten onrechte niet op de in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:3735, beschreven manier aan de hand van deze verklaring van de vreemdeling onderzocht of haar daardoor vervolgingsgronden zullen worden toegedicht en of zij daardoor een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij dan ook niet voldoende zorgvuldig onderzocht en onvoldoende gemotiveerd of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.
2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 oktober 2016 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris met inachtneming van wat onder 1.5 is overwogen opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling moet beslissen.
3.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. De Afdeling merkt de zaak als zwaar aan en past de wegingsfactor 2 toe bij het toekennen van de proceskosten in hoger beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2017 in zaak nr. 16/23224;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 oktober 2016, V-nummer […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.008,00 (zegge: vierduizend acht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Sanchit-Premchand
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018
691.