ECLI:NL:RVS:2018:3776
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit wegens strijdige wijzigingen aan prostitutie-inrichting in Den Haag
Appellant is eigenaar van een prostitutie-inrichting te Den Haag en heeft in afwijking van de verleende omgevingsvergunning van 21 augustus 2015 drie deuren met vergroot glasoppervlak en binnenmuren geplaatst, waardoor vitrines zijn ontstaan. Het college van burgemeester en wethouders heeft handhavend opgetreden en een last onder dwangsom opgelegd om de situatie te herstellen.
Appellant stelde dat het college niet bevoegd was tot handhaving omdat de bouwtekening al vitrines aanwees en dat er geen intensivering van het gebruik was. Ook voerde hij aan dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op toezeggingen van een stadsdeelinspecteur dat de wijzigingen waren toegestaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling oordeelt dat de afwijkingen niet vergund zijn en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalt omdat er geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen van een bevoegd orgaan zijn gedaan. De verklaringen over toezeggingen van de inspecteur zijn onvoldoende en deels betwist.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.