ECLI:NL:RVS:2018:3921

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2018
Publicatiedatum
30 november 2018
Zaaknummer
201805355/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over machtiging tot voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 juni 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 19 juni 2018 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen vier weken de mvv te verlenen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door de staatssecretaris op te dragen de mvv te verlenen. Het is immers aan de staatssecretaris om te beslissen of het vonnis dwingt tot verlening van de mvv.

De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de staatssecretaris werd opgedragen de mvv te verlenen en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak waarin de staatssecretaris werd opgedragen de mvv te verlenen en verwijst de beslissing terug naar de staatssecretaris.

Uitspraak

201805355/1/V3.
Datum uitspraak: 29 november 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 juni 2018 in zaak nr. 18/419 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 22 december 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om de vreemdeling binnen vier weken na verzending van de uitspraak de gevraagde mvv te verlenen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door hem in haar uitspraak op te dragen om binnen vier weken na verzending daarvan de vreemdeling de gevraagde mvv te verlenen. Het is namelijk in de eerste plaats aan de staatssecretaris en niet aan de rechtbank om te beslissen of de uitspraak van de rechtbank dwingt tot verlening van de gevraagde mvv. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 20 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:619, waar ook de staatssecretaris naar verwijst. De staatssecretaris voert terecht aan dat met het aannemen van een loonbetalingsverplichting nog niet vaststaat dat er een reëel dienstverband is. Ook betoogt hij terecht dat de omstandigheid dat de huidige inkomsten van referent zijn ingegaan in juni 2017 niet zonder meer maakt dat deze inkomsten duurzaam waren op het moment van het besluit van 22 december 2018.
De grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarin de staatssecretaris heeft opgedragen om binnen vier weken na verzending daarvan de vreemdeling de gevraagde mvv te verlenen. De staatssecretaris moet dus alsnog een nieuw besluit nemen op het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2017 met in achtneming van de uitspraak van de rechtbank van 19 juni 2018.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 juni 2018 in zaak nr. 18/419 voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak de vreemdeling de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verburg    w.g. Ahmady-Pikart
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2018
638.