ECLI:NL:RVS:2018:4154
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor bedrijfsmatig geschil
Appellant vroeg op 30 december 2016 een toevoeging voor rechtsbijstand aan in een verzetprocedure over een huurgeschil van een bedrijfspand, gevoerd door zijn onderneming European Care Company B.V. De raad voor rechtsbijstand wees deze aanvraag af omdat het geschil betrekking had op een rechtsbelang verbonden aan de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, waarvoor geen toevoeging wordt verleend volgens artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant zelf geen rechtstreeks en individueel belang had bij de procedure, die door de rechtspersoon werd gevoerd. In hoger beroep constateerde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de rechtbank onjuist had vastgesteld dat appellant geen rechtstreeks belang had, waardoor de uitspraak in strijd was met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling behandelde ook bezwaren over het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter. Zij oordeelde dat de rechtbank het hoor en wederhoor niet had geschonden en dat de wettelijke regeling omtrent toevoeging voor ondernemers niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Verder werd het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat het bedrijf van appellant als rechtspersoon werd aangemerkt en niet gelijkgesteld kon worden aan een eenmanszaak.
Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep bij de rechtbank ongegrond en veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaard.