ECLI:NL:RVS:2018:739
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gelijk in hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en vermeende onjuiste gegevensverstrekking. Tevens werd een inreisverbod van vijf jaar opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, stellende dat haar echtgenoot (referent) geen werknemer was in de zin van Besluit nr. 1/80, omdat hij op het moment van het besluit niet werkte. De vreemdeling stelde dat het arbeidsverleden van de referent wel degelijk was onderbouwd en dat hij door een arbeidsongeval arbeidsongeschikt was geraakt, waardoor hij zijn hoedanigheid als werknemer niet had verloren.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris het begrip 'werknemer' onjuist had geïnterpreteerd door het arbeidsverleden en de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de referent niet mee te wegen. Volgens de jurisprudentie behoudt een werknemer zijn status ook bij tijdelijke volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, mits hij zich registreert als werkzoekende. De staatssecretaris moet het besluit heroverwegen en het inreisverbod aanpassen conform deze inzichten.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden vonnis en het besluit van 8 december 2016, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod worden vernietigd, en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.