ECLI:NL:RVS:2019:1066
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens bezit inbrekerswerktuigen op openbare plaats
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg legde appellant een last onder dwangsom op wegens het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats, gebaseerd op een politieproces-verbaal van 4 september 2016. Appellant was als bijrijder in een auto waarin inbrekerswerktuigen werden aangetroffen. De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar van 7 november 2017 voor zover dit was gebaseerd op een incident van 4 juli 2016, maar handhaafde de rechtsgevolgen voor het incident van 4 september 2016.
Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat hij een onlogische route had gereden, dat het verbod niet voor bijrijders geldt en dat het ontbreken van strafrechtelijke vervolging relevant is. De Raad van State oordeelde dat het college terecht mocht afgaan op het politieproces-verbaal en dat het verbod ook voor bijrijders geldt. De strafrechtelijke vervolging is niet relevant voor de bestuursrechtelijke last.
Verder oordeelde de Raad dat de hoogte van de dwangsom passend is om het doel van naleving te waarborgen. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het incidenteel hoger beroep van het college verviel daardoor. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 57, eerste lid, van de APV en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.