Uitspraak
Datum uitspraak: 17 april 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing door de Raad voor Rechtsbijstand van een aanvraag voor extra uren rechtsbijstand ten behoeve van een verdachte in een strafzaak. De advocaat van de verdachte stelde dat de omvang van het dossier en de aard van de zaak zodanig complex waren dat extra uren noodzakelijk waren.
De rechtbank had geoordeeld dat de Raad zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat er geen sprake was van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, mede gelet op het dossier en de ontkenning van de verdachte. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de advocaat onvoldoende informatie heeft verstrekt om de complexiteit aannemelijk te maken, zoals het ontbreken van een dagvaarding en concrete dossierinhoud.
Het beleid van de Raad gaat uit van een forfaitaire tijdsgrens voor rechtsbijstand, met uitzondering van uitzonderlijke gevallen waarin de zaak feitelijk of juridisch complex is. De Afdeling oordeelt dat de aangeleverde gegevens niet voldoen aan de criteria voor het aannemen van feitelijke complexiteit en dat het verzoek om extra uren daarom terecht is afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor extra uren rechtsbijstand is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van feitelijke complexiteit.