ECLI:NL:RVS:2019:1404
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.G. Lubberdink
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dubbele nationaliteit en afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling, met de Syrische en Russische nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan die door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat onvoldoende was aangetoond dat de vreemdeling daadwerkelijk de Russische nationaliteit bezat.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het overleggen van een authentiek Russisch paspoort en het ontbreken van bewijs van afstand van de Russische nationaliteit voldoende is om aan te nemen dat de vreemdeling naast de Syrische ook de Russische nationaliteit bezit. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het verlopen van het paspoort niet betekent dat de nationaliteit verloren is gegaan.
Verder oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling niet binnen drie maanden na de verblijfsvergunning van zijn echtgenote zijn asielaanvraag heeft ingediend, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 EVRM Pro, omdat de vreemdeling zijn asielaanvraag niet binnen zes maanden na zijn eerste inreis in Nederland heeft ingediend.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel blijft in stand.