ECLI:NL:RVS:2019:1433
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handel in verdovende middelen
De burgemeester heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten de woning van appellant voor zes maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van cocaïne en hennep, bestemd voor handel. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Limburg.
Appellant stelde dat de drugs slechts voor eigen gebruik waren en dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne net boven de grens lag. Hij voerde aan dat er geen aanwijzingen waren voor handel in zijn woning en dat het geld dat werd gevonden niet aan drugshandel gerelateerd was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat bij een overschrijding van de grens van 0,5 gram harddrugs de drugs in beginsel bestemd worden geacht voor verkoop, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellant slaagde hier niet in. Het politierapport en zijn eigen erkenning van handel in cocaïne, het aangetroffen contante geld, en de onbewoonde indruk van de woning ondersteunden het besluit tot sluiting.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de woning bevestigd.