ECLI:NL:RVS:2019:1459
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 januari 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 28 mei 2018. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling en referent op 12 februari 2019 gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en herroept het oorspronkelijke besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen de mvv binnen vier weken te verstrekken.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, evenals de vreemdeling en referent incidenteel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat noch het hoger beroep van de staatssecretaris, noch het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent vragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep van beide partijen kennelijk ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en werd een griffierecht van €519,00 opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, vertegenwoordigd door lid E. Steendijk en griffier A.K. de Keizer, op 6 mei 2019.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent kennelijk ongegrond.