ECLI:NL:RVS:2019:1459

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
201902008/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 januari 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 28 mei 2018. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling en referent op 12 februari 2019 gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en herroept het oorspronkelijke besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen de mvv binnen vier weken te verstrekken.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, evenals de vreemdeling en referent incidenteel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat noch het hoger beroep van de staatssecretaris, noch het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent vragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep van beide partijen kennelijk ongegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en werd een griffierecht van €519,00 opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, vertegenwoordigd door lid E. Steendijk en griffier A.K. de Keizer, op 6 mei 2019.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent kennelijk ongegrond.

Uitspraak

201902008/1/V1.
Datum uitspraak: 6 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [de vreemdeling] en [referent],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 februari 2019 in zaak nr. 18/4377 in het geding tussen:
de vreemdeling (lees: de vreemdeling en referent)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 28 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2018 vernietigd, het besluit van 11 januari 2016 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 mei 2018 en de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling binnen vier weken na bekendmaking van de uitspraak in het bezit te stellen van de gevraagde mvv.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen Op Zoom, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000; hierna de Vw 2000).
Hoger beroep van de staatssecretaris
2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174, geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en referent is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling en referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. De Keizer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2019
716.