ECLI:NL:RVS:2019:1612
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel minderjarige vreemdeling
Een zestienjarige Syrische minderjarige diende op 23 juli 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag op 24 oktober 2018 niet-ontvankelijk omdat Hongarije reeds internationale bescherming had verleend. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had getoetst aan artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, dat de belangen van het kind als essentiële overweging voorschrijft. De staatssecretaris had onvoldoende gemotiveerd waarom van een minderjarige van zestien jaar verwacht kon worden dat hij zelfstandig een bestaan opbouwt in Hongarije, ondanks de moeizame positie van statushouders daar.
De Afdeling vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen, waarbij de belangen van de minderjarige expliciet worden betrokken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag van de minderjarige vreemdeling wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen waarbij de belangen van het kind worden betrokken.