ECLI:NL:RVS:2019:1618

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
21 mei 2019
Zaaknummer
201902946/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten bij onrechtmatige vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 1 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling stelde vast dat er een gebrek was in de direct aan de bewaring voorafgaande staandehouding, ophouding of verlenging van de ophouding, en dat dit gebrek rechtvaardigt dat de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Dit volgt uit een eerdere uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1498), die hier van overeenkomstige toepassing is.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze de staatssecretaris niet had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1.536,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee werd het hoger beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.536,00 wegens een gebrek in de voorafgaande staandehouding bij vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

201902946/1/V3.
Datum uitspraak: 21 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2019 in zaak nr. NL19.7620 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het toekennen van een proceskostenvergoeding bij een gebrek in de direct aan de bewaring voorafgaande staandehouding, ophouding of verlenging van de ophouding heeft de Afdeling bij uitspraak van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtbank de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2019 in zaak nr. NL19.7620, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Lange    w.g. Van de Kolk
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2019
347-873.