ECLI:NL:RVS:2019:1768
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boetebesluit wegens niet tijdige betaling minimumloon
De minister legde op 16 mei 2017 een bestuurlijke boete van €14.400,- op aan de werkgever wegens het niet tijdig betalen van het minimumloon aan zes werknemers over juli en augustus 2016. De werkgever maakte bezwaar, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de werkgever gegrond en vernietigde het boetebesluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm) ten tijde van de overtreding niet voorschreef dat het minimumloon op een bepaald moment uiterlijk moest zijn voldaan. De arbeidsovereenkomsten bevatten wel een uiterste betaaldatum, maar de Wmm stelde toen geen sancties voor het niet tijdig betalen. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak van 25 oktober 2017 waarin werd bepaald dat het niet tijdig betalen van het minimumloon geen overtreding is zolang de Wmm dit niet expliciet voorschrijft.
De Afdeling oordeelde dat de minister het niet tijdig betalen ten onrechte als niet-betalen had aangemerkt en dat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan een ruimere uitleg van de Wmm. De toevoeging per 1 januari 2018 van een bepaling over tijdige betaling maakt dit niet anders voor de situatie in 2016. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.024,- en betaling van griffierecht van €508,-. De uitspraak werd openbaar gedaan op 29 mei 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd.