ECLI:NL:RVS:2019:1812
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voorrangsverklaring wegens niet naleven voorwaarden woningzoekende
Appellant vroeg op 8 december 2017 een voorrangsverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vanwege een onveilige en te kleine woning voor zijn vierpersoonshuishouden. Het college wees de aanvraag op 24 januari 2018 af, omdat appellant verweten werd dat hij geen andere woning had gevonden. Het bezwaar werd op 7 juni 2018 ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit op 23 augustus 2018. Appellant stelde in hoger beroep dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en dat hij de aangeboden woning wel had geaccepteerd, maar dit werd niet aannemelijk geacht omdat geen huurovereenkomst was ondertekend.
De Afdeling oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 29 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019. Zijn medische en sociale situatie behoefde daarom geen bespreking. Verder faalde appellant in het aannemelijk maken dat het college met de afwijzing van de aanvraag het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) had geschonden. Het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling weegt zwaarder dan zijn individuele belang.
Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde, omdat appellant dit pas in beroep bij de rechtbank aanvoerde en dit niet onderbouwde. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring is bevestigd.