ECLI:NL:RVS:2019:2190
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens waardevermindering woning door aanleg A74 en aanpassing A73-Zuid
De appellant verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding op grond van artikel 22 van Pro de Tracéwet vanwege waardevermindering van zijn woning nabij de A73-Zuid door de aanleg van de A74 en aanpassingen aan de A73-Zuid. De minister wees het verzoek meerdere malen af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en gaf aanwijzingen over het inwinnen van deskundigenadvies, de planologische vergelijking tussen oude en nieuwe situatie, en de beoordeling van het normale maatschappelijke risico. De minister baseerde het besluit op een advies van de Schadecommissie Rijkswaterstaat en een taxatierapport van Meander, waarin een lichte waardevermindering van minder dan 2% werd vastgesteld, binnen het normale maatschappelijke risico.
De appellant voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder onvoldoende motivering van de planologische vergelijking, onjuiste waardering van geluidoverlast en uitzicht, en onvolledige onderbouwing van de omvang van de schade en het normale maatschappelijke risico. De Afdeling oordeelde dat het advies van de deskundige voldoende zorgvuldig en begrijpelijk was, dat de minister zich daarop redelijkerwijs kon baseren, en dat de schade lager was dan de drempel van 2% van de woningwaarde.
Daarnaast werd een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd, waarbij de minister werd veroordeeld tot betaling van € 500. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van schadevergoeding wordt ongegrond verklaard; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.