ECLI:NL:RVS:2019:2299
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf in gezinshereniging
De staatssecretaris wees op 7 december 2016 een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af vanwege overschrijding van de drie maanden termijn zoals voorgeschreven in artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde deze termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat de aanvraag via Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) was ingediend en er sprake was van een communicatiestoornis en organisatorische problemen bij VWN.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening bij de vreemdeling ligt, ook als deze zich laat bijstaan door een gemachtigde zoals VWN. Fouten van gemachtigden leiden in de regel niet tot verschoonbaarheid. Het wetsvoorstel tot verlenging van de termijn was nog niet in werking getreden, zodat de drie maanden termijn gold.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Tevens oordeelde zij dat de staatssecretaris terecht afzag van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De staatssecretaris had de vreemdelingen bovendien adequaat geïnformeerd over de gevolgen van de termijnoverschrijding en de mogelijkheden voor een nieuwe aanvraag.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.