ECLI:NL:RVS:2019:2383
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank en verwijzing beroep tegen nieuw besluit in vreemdelingenzaak
Bij besluit van 5 december 2016 wees de staatssecretaris een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 31 januari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 17 mei 2018 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep werd echter kennelijk ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Het nieuwe besluit van 26 september 2018, waarin opnieuw het bezwaar ongegrond werd verklaard, werd geacht ook onderwerp van het geding te zijn. Dit beroep werd krachtens artikel 6:19, vijfde lid, Awb terugverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, een bedrag van €512,00, en daarnaast werd een griffierecht van €508,00 opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van C.C.W. Lange.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt terugverwezen naar de rechtbank.