ECLI:NL:RVS:2019:2482
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris heeft op 20 juni 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 5 september 2018 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werden twee procedurele klachten geuit: over de digitale ondertekening van de uitspraak van de rechtbank en over de openbaarmaking van deze uitspraak. De Afdeling heeft deze klachten in eerdere uitspraken behandeld en erkend dat de klachten terecht zijn, maar dat zij niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die verband houden met de behandeling van het hoger beroep, tot een bedrag van €512,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.