ECLI:NL:RVS:2019:249
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens niet beëindigd bedrijf en niet-verweerder in procedure
Wederpartij, eigenaar van bedrijf A en voormalig eigenaar van bedrijf B en C, vroeg toevoeging rechtsbijstand aan voor hoger beroep tegen een vonnis over een franchisegeschil. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag af omdat het bedrijf nog ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel en wederpartij niet als verweerder in eerste aanleg betrokken was.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering omtrent bijzondere omstandigheden die afwijken van het beleid. De raad stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat wederpartij als verweerder betrokken was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank dit had moeten toetsen en verklaarde het hoger beroep gegrond, maar liet de uitspraak van de rechtbank verder intact.
De raad nam een nieuw besluit waarin wederom de toevoeging werd geweigerd. Wederpartij voerde aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat zijn bedrijf feitelijk was beëindigd, mede door uitschrijving van nevenvestigingen en beëindiging van de rechtsbijstandsverzekering. De Afdeling oordeelde dat de inschrijving bij de KvK leidend is, tenzij met objectieve gegevens wordt aangetoond dat het bedrijf eerder is beëindigd. Dit was niet voldoende aangetoond.
Verder concludeerde de Afdeling dat wederpartij niet als verweerder in eerste aanleg betrokken was, ook niet bij de WIPO-geschillenbeslechter. Hierdoor voldeed hij niet aan de wettelijke voorwaarden voor toevoeging. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De toevoeging rechtsbijstand wordt geweigerd omdat het bedrijf niet is beëindigd en wederpartij niet als verweerder in eerste aanleg betrokken was.